Cemetery of Splendour

Beoordeling:

Geplaatst: door Elise van Dam

Godfried Bomans schreef eens een sprookje over een bramenplukker die in het bos woont. Als hij op een dag een reiziger ontmoet beschrijft hij het paleis waarin hij woont. De eindeloze zuilengangen, de grasvelden vol diamanten en de onmetelijke spiegels, soms ‘zo groot dat je een dag nodig hebt om er omheen te lopen.’ De reiziger haalt de stadsbewoners erbij en de bramenplukker leidt hen rond. Maar waar de bramenplukker spiegels ziet, zien zij slechts meren en waar hij diamanten ziet, zien zij slechts dauw.

Er is een specifieke sequentie in Cemetery of Splendour die mij aan dat sprookje herinnerde. Maar vooral voel ik me eigenlijk altijd die bramenplukker als ik naar de films van de Thaise Apichatpong Weerasethakul kijk. Het is ontzettend moeilijk om iets zinnigs te schrijven over zijn werk en dat is een groot compliment. Want wat hij maakt is pure cinema en dat betekent dat geen enkel ander medium dan film de betekenis ervan kan ontsluiten. Beschrijven wat er op beeld te zien is doet de film ernstig tekort, probeer je op te schrijven wat jij erin ziet en ervaart, dan faal je ook. Want zodra je woorden tracht te geven aan een zo puur cinematische ervaring, verval je of in abstracties of in banaliteiten.

En juist die twee uitersten komen ook weer vaak terug in zijn werk. Cemetery of Splendour speelt zich af in tussenlanden. We bevinden ons in een hospitaal waar soldaten worden verzorgd die aan een niet nader verklaarde slaapziekte lijden. Een ziekenhuis is voor de meeste mensen een tijdelijk station, een plek waarin je even afgescheiden bent van het normale leven daarbuiten. Het hospitaal staat in Khon Kaen, de regio waar Weerasethakul zelf opgroeide. Aan de marges van de stad lijkt de tijd te hebben stilgestaan, terwijl in het centrum het jachtige tempo van het moderne bestaan heerst. Weerasethakul laat die twee wonderlijk samenvloeien in een reeks nachtelijke shots waarin de kleuren constant veranderen.

Dat laatste slaat terug op de lichtpilaren die zijn neergezet om de nachtmerries van de soldaten te verjagen met hun traag verkleurende gloed. Die slaap van de soldaten is het ultieme tussenland. Slaap brengt ons altijd in de grenslanden van het bewustzijn en onze dromen verkennen zowel de grenzen van de verbeelding als het triviale. Weerasethakul suggereert ook dat die slaap van de soldaten de grens beslecht tussen de verschillende levens die zij hebben geleid. In het hospitaal is een medium dat op verzoek van familieleden tracht te communiceren met de slapende soldaten en hun reïncarnaties.

Onze vaste waarde door al die tussenlanden is Jenjira (Jenjira Pongpas), een vrouw die nooit helemaal past bij haar omgeving en zelfs niet helemaal bij zichzelf. Wanneer ze aan het begin van de film als vrijwilligster aankomt bij het hospitaal heeft ze een tas vol zelfgebreide sokjes bij zich. De hoofdzuster en tevens oude vriendin van Jenjira haalt ze hoofdschuddend uit de tas. "Al die kleurige babysokjes", zucht ze. "Hier liggen alleen soldaten." Jenjira zet zich aan het bed van Itt (Banlop Lomnoi), die geen familie heeft, of in elk geval komen ze nooit. In zijn wakende periodes neemt ze hem mee naar de stad of de rand van het meer. De slapende Itt kan voor haar alles zijn; zoon, geliefde, strijder in een mythische wereld.

Weerasethakul’s films zitten altijd vol met een combinatie van het spirituele en alledaagse. Zo probeert in Cemetery of Splendour een vrouw de naam van de minnares van haar slapende man aan hem te ontfutselen via het medium. En er is wat hilariteit rond een erectie van een slapende soldaat. Maar in dezelfde adem laat hij Jenjira spreken met de geesten van twee tempelprinsessen. Alles vloeit in elkaar over, zelfs in de details als het geluid van een ventilator dat naadloos overgaat in het geluid van een waterrad. Die vloeibaarheid, in combinatie met het trage tempo, geeft de film op den duur iets geestverruimends en wanneer dat gebeurt, betreden we een paleis ergens tussen realiteit en film, droom en waken. 

Trailer