The Idol

Beoordeling:

Geplaatst: door Elise van Dam

De beelden gingen de wereld over toen de Palestijnse Mohammed Assaf de Arabische versie van Idols won. Even leek het uiteengereten Palestijnse volk totaal verbonden in hun bewondering voor de zanger. De Nederlands-Palestijnse filmmaker Hany Abu-Assad besloot het verhaal van Assaf te verfilmen, die moest vechten tegen vooroordelen en illegaal de grens moest oversteken om zijn doel te bereiken.

De film begint als Mohammed nog maar een jongetje is en samen met zijn zusje en twee vrienden met zelf in elkaar geknutselde instrumenten muziek staat te maken op straat. Niet veel later spelen ze op bruiloften en - in geweldig shot - op een door een tractor voortgetrokken, met flashy lampen gedecoreerde aanhanger. Op onverdeelde steun kunnen ze niet rekenen. "Is dat een meisje?", vraagt iemand wantrouwend, wijzend naar Mohammed’s zusje Nour. "Ja", antwoorden de jongens gevat. "Maar dat kun je niet zien."

Zoals vaak in het werk van Abu-Assad wordt de aanvankelijke lichtheid langzaam gesmoord in bittere realiteit. Er is een tijdsprong en Mohammed (Tawfeek Barhom) is de onschuld voorbij. Hij is taxichauffeur geworden en zingen doet hij zelden meer. Tot hij een vroegere jeugdvriendin van Nour in zijn taxi krijgt en zij hem smeekt te zingen. Terwijl ze door de deels in puin liggende stad rijden, zet Mohammed zijn lied in. "Al zijn we door lelijkheid omringd", concludeert de jonge vrouw na afloop, "jouw stem is prachtig". Dat soort zinnen vormen één van de voornaamste mankementen van The Idol. Het is te letterlijk, te simplistisch.

Vrijwel geen enkele scène krijgt de tijd werkelijk uit te kristalliseren en het is dusdanig schematisch dat van elke scène de bedoeling er tamelijk dik bovenop ligt. Er is zelden een subtiele onderlaag of ambivalente subtekst. In het eerste deel is dat nog niet eens zo problematisch. Die scènes hebben iets energieks, een kinderlijk enthousiasme dat overslaat op de kijker. Maar wanneer de personages volwassen worden en de jolijt wegvalt, gaat de schematische en gehaaste structuur pas echt in de weg zitten.

En ook de indeling van de film voelt uit balans. Tegen de tijd dat Mohammed zijn eerste auditie doet zitten we al op twintig minuten van het einde. Het lijkt of Abu-Assad daarmee wilde voorkomen dat The Idol teveel een naïeve feelgood film zou worden, maar het werkelijke gevolg is dat er geen tijd meer overblijft voor alle emoties die Mohammed doormaakt en losmaakt. Afzonderlijke scènes zijn er in dat deel nauwelijks meer, het is één lange montage.

In dat laatste deel zet Abu-Assad steeds vaker archiefbeelden in, van Idols-publiek en jury en van de juichende mensen op straat. Culminerend in een niet anders dan verwarrend te noemen moment wanneer Mohammed in de finale komt en we ineens archiefbeelden zien van de echte Mohammed Assaf. De archiefbeelden lijken het maatschappelijk en historisch belang van Mohammed’s prestatie te moeten benadrukken, maar die boodschap heeft nauwelijks wortels in wat Abu-Assad ons in het voorafgaande uur heeft getoond.    

In tegenstelling tot in zijn vorige films als Paradise Now en Omar is politiek hier namelijk vooral op de achtergrond aanwezig. Vrijwel alles dat politiek dreigt te worden, wordt hier teruggebracht tot een persoonlijk conflict, dat ook op persoonlijke gronden kan worden opgelost. En juist daardoor voelt het gewicht van de slotakte onevenredig en wordt de euforie van de menigte nooit voelbaar bij de kijker. 

Trailer