Inside Llewyn Davis

Beoordeling:

Geplaatst: door Elise van Dam

‘Hang me, oh hang me, and I’ll be dead and gone’, zingt de folkzanger. Het zijn de eerste woorden die klinken in Inside Llewyn Davis, de nieuwste film van de broers Joel en Ethan Coen. Zoals we gewend zijn van de Coens laten ze hun hoofdpersonage op flink wat tegenspoed en desillusies stuiten die menig mens tot het randje van de afgrond zouden brengen. En net als in Fargo moet dat alles getrotseerd worden in winterse omstandigheden. Alsof ze het zonder ijzige wind al niet moeilijk genoeg hebben.

In Inside Llewyn Davis volgen we de titelheld, gespeeld door de relatief onbekende Oscar Isaac, een week lang in vrieskoud Greenwich Village, in de jaren ’60 het broeinest van een nieuwe generatie folkzangers. Llewyn trekt met zijn gitaar en aftandse en veel te koude jas van logeeradres naar logeeradres en speelt wanneer hij kan in kleine kroegen. Een van zijn vaste slaapbanken staat bij zangduo Jim (Justin Timberlake) en Jean (Carey Mulligan). Met de laatste heeft Llewyn, niet bepaald tot genoegen van Jean, een geschiedenis.

Llewyn is een typisch ‘net niet’-geval. Hij is een verdienstelijk zanger, maar schurkt tegen zijn bovengrens aan en de vraag is of die hoog genoeg is om door te breken. En al heeft hij een platendeal bij een wat shabby platenbonsje en diens hardhorende secretaresse, van eventuele royalty’s ziet hij weinig terug. Uit onvrede over de impasse van zijn ‘carrière’, besluit hij naar Chicago te gaan om daar zijn muziek voor te spelen aan een befaamde platenbaas.

Llewyn is niet enkel slachtoffer van de omstandigheden, maar minstens zo veel van zichzelf. Hij maakt een troep van zijn privéleven (‘I should have had you wear double condoms’, bijt Jean hem toe) en ook in de muziek zit hij zichzelf regelmatig dwars. Hij onderscheidt zich vaak om net de verkeerde redenen en voelt zich eigenlijk te goed om op te komen draven voor studiosessies. Gelukkig doet hij dat toch, want het levert een hilarische en typische Coen-scène op wanneer hij samen met Jim en Al Cody (Adam Driver) de instant-hit ‘Please, Please, Mr. President’ inzingt.

De film is, hoe kan het ook anders bij de Coens, prachtig vormgegeven. Het New York van de jaren ’60 ademt en leeft, met aan de ene kant de rokerige kroegen vol snobistische muziekliefhebbers en anderzijds de desolaat besneeuwde straten waar Llewyn met zijn gitaarkoffer doorheen ploegt. De briljante cirkelstructuur van het scenario laat er weinig illusie over bestaan hoe de toekomst van Llewyn eruit zal zien. Klein lichtpuntje: het wordt ook weer een keer lente, dan komt die jas in elk geval weer van pas.  

Wanneer Llewyn op weg is naar Chicago deelt hij een auto met jazzmuzikant Roland Turner (een heerlijke, aan dr. John refererende rol van John Goodman), diens assistent en een kat die Llewyn eerder per ongeluk heeft laten ontsnappen uit het appartement van een bevriend, welgesteld koppel. Turner, die folkmuziek met dat eeuwig zelfde akkoordenschema en gebrek aan improvisatie maar een inferieur muziekgenre vindt, vraagt hem neerbuigend of hij soms een act vormt, met die kat. Een echt goed antwoord heeft Llewyn niet. Misschien is hij dat intussen wel. Een act met een kat. Een kat die steeds ontsnapt.

Trailer